Wat is duurzaam vlees?
Duurzaam vlees verwijst naar vlees dat is geproduceerd op een manier die minimale negatieve impact heeft op het milieu, rekening houdt met dierenwelzijn en sociaal verantwoord is.
Milieu-impact
De milieu-impact van de vleesproductie kent 3 onderdelen: mest, dier en plant. In de mest zitten stoffen zoals stikstof, fosfor, koolstof, medicijnen en zware metalen. Dit leidt tot verlies aan biodiversiteit door ammoniak, opwarming van de aarde door broeikasgassen en tot verminderde gezondheid van mensen (zie kader voor nadere toelichting). In het dier wordt voer afgebroken in het maagdarmkanaal. Vooral bij herkauwers ontstaat hierdoor een aanzienlijk hoeveelheid methaan dat uitgeademd wordt. Herkauwers zijn runderen, schapen en geiten. Ten derde zijn planten nodig om dieren te voeden, het telen van dat voer leidt tot productie van lachgas, net als methaan een broeikasgas. Bovendien kan het leiden tot ontbossing. Daarnaast is er om veevoer te maken veel water, bestrijdingsmiddelen en kunstmest nodig. Water wordt door droogte schaars in de wereld. Bestrijdingsmiddelen zijn vaak ongezond voor de mens. En voor de productie van kunstmest is veel energie nodig. Verder komen bij het gebruik van kunstmest ook stikstof en fosfor in het milieu.

Figuur 1. Bijdrage van de verschillende bronnen aan de NL ammoniakemissie. In de Landbouw komt ruim 90% van de ammoniak uit de veehouderij.
Figuur 1 laat zien dat als het om NH3 gaat, de landbouw een grote bijdrage levert. Dierlijke mest draagt meer dan 90% bij. Figuur 2 laat zien dat wat betreft broeikasgasuitstoot het effect van de landbouw op de Nederlandse broeikasgasuitstoot niet zo groot is. Daar levert energie de grootste bijdrage.

Figuur 2. Bijdrage van de verschillende bronnen aan de NL broeikasgasemissies (BKG). In de landbouw komt 75-80% van de BKG uit de veehouderij 75%.
Wat betreft de broeikasgasuitstoot laat Figuur 3 zien dat rundvlees veel meer broeikasuitstoot tot gevolg heeft dan varkensvlees en kippenvlees. En dat een liter melk het minst bijdraagt aan de opwarming van de aarde.

Figuur 3. De CO2 uitstoot die nodig is voor de productie van dierlijke producten.
Stikstof, fosfor en koolstof
De scheikundige notatie voor stikstof is N. N in de mest en de kunstmest komt in het milieu als ammoniak (NH3), lachgas (N2O), en nitraat (NO3). NH3 heeft een verzurend en eutrofierend effect (zie meer uitleg bij fosfor), N2O warmt de aarde op en NO3 is slecht voor de gezondheid als het in het drinkwater komt. Bovendien kan NH3 in de lucht een verbinding aangaan met bijvoorbeeld sulfaat (SO4) waardoor zeer fijnstof ontstaat. Dat is slecht voor de gezondheid als dat ingeademd wordt.
De scheikundige notatie voor fosfor is P. De P in de mest vormt P2O5 en komt net als NO3 in het grond- en oppervlaktewater. Dit werkt net als NH3 eutrofiërend; dat noemen we ook wel vermesting. Vermesting betekent dat planten die niet zo goed tegen veel N en P kunnen, worden verdrongen door planten die er wel van houden (bijvoorbeeld algen, bramen, grassen, brandnetels en berken). Dat betekent dat fosfor- en stikstofminnende planten andere planten verdringen. Er verdwijnen dus soorten. En dit betekent dat de biodiversiteit achteruit gaat.
De C in de mest kan in de lucht komen als CO2 en CH4. CO2 draagt in dit geval niet bij aan het versterkte broeikaseffect. Omdat het dier dit binnenkrijgt via gras, granen en andere producten die zijn gemaakt met CO2 uit de lucht. Dat is de zogeheten korte koolstofkringloop. CH4 draagt in dit geval wel bij, het broeikaseffect is 28 keer sterker dan dat van CO2 (voor meer informatie hierover lees Vellinga en Groenestein [1]). Het derde broeikasgas is N2O, dat ontstaat bij het toedienen van mest en kunstmest en tijdens composteren. Dit lachgas is een zeer sterk broeikasgas, namelijk 273 keer zo sterk is als CO2. In totaal zorgt de landbouw voor 11% van de Nederlandse broeikasgasuitstoot, waarvan 8% uit de veehouderij.
Dierenwelzijn
Een ander belangrijk aspect van duurzaamheid is dierenwelzijn. Dit betekent dat dieren op een manier moeten worden behandeld die recht doet aan wat ze nodig hebben, met toegang tot voldoende ruimte, voeding en medische zorg. Duurzame praktijken beperken ook onnodige pijn en stress tijdens hun leven en het slachtproces. Er zijn, gebaseerd op de bevindingen van het Brambell Committee [2], vijf vrijheden geformuleerd om dierenwelzijn te borgen:
- Vrij van dorst en honger
- Vrij van thermaal (hitte, koude) en fysiek ongemak
- Vrij van pijn, verwondingen en ziekte
- Vrij van angst en chronische stress
- Vrij om normaal en soorteigen gedrag te vertonen
Het is alleen wel moeilijk om te meten hoe goed je dit doet. Wanneer is een dier angstig of heeft het stress? Wat is normaal gedrag? Kun je zien of een dier dorst heeft? Een de veehouder kan zeggen deze vijf vrijheden te respecteren. En een veganist kan zeggen dat dat onmogelijk is.
Sociale impact
De veehouderij biedt werkgelegenheid aan de boeren zelf natuurlijk, maar ook aan dierenverzorgers, stallenbouwers, loonwerkers, transporteurs, slachters, enzovoort. In veel landelijke gebieden is de veehouderij een belangrijke bron van inkomsten en draagt het bij aan de economische stabiliteit. Maar het werk is vaak zwaar, en soms onveilig. De lonen zijn niet hoog. De veehouderij speelt een rol in de culturele en maatschappelijke samenhang, waarbij traditionele methoden en lokale gewoonten in stand gehouden worden, maar ook onder druk komen te staan door globalisering en industriële methoden.
Voor de Nederlandse situatie geldt dat het opleidingsniveau van onze boeren in vergelijking met andere landen hoog is. Ook technologisch en met digitalisering lopen wij voor.
Het is essentieel om bij een duurzame veehouderij rekening te houden met deze sociale aspecten en te werken aan een rechtvaardige en inclusieve aanpak die de belangen en waardigheid van alle betrokkenen beschermt.
Uitdagingen bij duurzame vleesproductie
Duurzame vleesproductie streeft ernaar de milieu-impact te verminderen door efficiënter gebruik te maken van hulpbronnen en door innovatieve technieken te implementeren.
Dit gaat niet vanzelf. Er zijn van veel inspanningen en investeringen nodig van veel betrokkenen voor slimme uitvindingen om het gebruik en het verlies van N, P en C te verminderen. Het beter benutten van de kringloop is hier een oplossingsrichting. De uitstoot van NH3, N2O, CH4, en PM is door een beter sluitende kringloop helaas niet voldoende te reduceren. De kringloop is zo lek als een mandje. Ook hier is behoefte aan innovatieve technieken, zowel in de stal, tijdens opslag en bij het uitrijden van de mest. De overheid moet deze ontwikkelingen stimuleren, en contoleren of de ontwikkelingen goed werken.
Dierenwelzijn vraagt investeringen en onderzoek naar de behoeften van de dieren en investeringen in goede en ruime huisvesting. Ook hier is handhaving nodig. Bestrijdingsmiddelen, medicijnen en kunstmest moeten zo veel mogelijk beperkt worden.
Biologische veehouderij 2.0?
Veel onderdelen van de milieu-impact en het dierenwelzijn worden al aangepakt in de biologische veehouderij van nu. Dit lijkt dus een goed voorbeeld. Met betrekking tot mestmanagement en daarmee het management van N, P en C en de milieu-impact daarvan, moet er wel nog veel verbeterd worden.
Extensivering
Maar, biologische veehouderij vraagt om veel meer land per dier. Omdat Nederland weinig ruimte heeft en veel dieren, lijken we hierbij niet te ontkomen aan een vermindering van de veestapel. In ons kleine land hebben wij per persoon de ruimte van een half voetbalveld. Per persoon wordt op dat halve voetbalveld in een jaar ongeveer 4500 kg dierlijke mest geproduceerd. Ter vergelijking: wij produceren per persoon ca 450 kg menselijke mest. Voor het verwerken van deze menselijke mest gebruiken we meer dan 300 afvalwaterzuiveringen. Het is geen moeilijke rekensom om te concluderen dat het een te grote en kostbare inspanning zal zijn om de kringloop van dierlijke mest met dergelijke zuiveringen beter te sluiten. Daarom moet er in ieder geval minder mest in ons land zijn.
Kosten voor producent en consument
Alle verbeteringen voor het milieu en de dieren kosten geld, ook omdat dat gecontroleerd moet worden, denk hierbij aan certificeringen, regels en wetten. Dat kan niet allemaal op het bordje van de producenten gelegd worden, consumenten moeten daaraan mee willen betalen.