Gletsjers veranderen mee met het klimaat omdat ze smelten door hogere temperaturen en groeien door neerslag die valt als sneeuw. Het groeien en krimpen van gletsjers vóór de industriële revolutie kwam ook door veranderingen in klimaat, maar dat werd toen alleen beïnvloed door natuurlijke factoren. Bijvoorbeeld hadden zonnecycli en de positie van de aarde ten opzichte van de zon een invloed op hoe veel straling er binnenkwam om de aarde te verwarmen. Vulkaanuitbarstingen hadden een invloed op de hoeveelheid deeltjes in de atmosfeer die straling weerkaatsen en zo voor afkoeling zorgen. Het groeien en krimpen van gletsjers is dus nooit willekeurig, maar afhankelijk van het klimaat.
Gletsjers meten
Metingen en directe informatie over gletsjermassa en -lengte in de Alpen hebben we vooral sinds het jaar 1600. Dit is in de vorm van beschrijvingen, schilderijen en de eerste regelmatige metingen van gletsjers. Voor de eeuwen daarvoor moeten we uitgaan van zogenaamde proxydata– fysieke veranderingen in de natuur die iets zeggen over variabelen als temperatuur, neerslag en gletsjerlengte. Een voorbeeld zijn morenes: puin en grond die door ijs zijn meegenomen en in bepaalde vormen zijn geduwd. Hieraan kan men zien hoe ver het ijs op bepaalde tijden reikte en hoe dik het was.

