Laten we even beginnen met een paar getallen. Het totale volume van de oceaan is ongeveer 1,34 miljard kubieke kilometer[1]. Als je dit vermenigvuldigt met de dichtheid van zeewater (ongeveer 1,028 kg per kubieke meter) vind je een massa van ongeveer 1,4 * 1021 kg (1,4 met 21 nullen). Dat is dus hoe zwaar al het zeewater op aarde bij elkaar is.
De zeespiegel stijgt momenteel ongeveer 4 millimeter per jaar [2]. Echter, ongeveer een derde van die stijging is het gevolg van het uitzetten van het opwarmende zeewater [3]. Om de toename in massa te berekenen mogen we dit deel dus niet meenemen. Vermenigvuldig het resterende deel (2,67 millimeter per jaar) met het oppervlak van de oceaan (360 miljoen vierkante kilometer) en de dichtheid van zoet water (het extra water is immers zoet!), en je vindt een toename in watermassa van ongeveer 9,6 * 1014 kg per jaar. Bijna één biljard kilo. Dat is hoeveel ijs er per jaar smelt en de zee in stroomt. Een onvoorstelbaar groot getal, maar het is nog altijd minder dan een miljoenste van de massa van de oceaan zelf.
Hierdoor verandert de totale warmtecapaciteit van de oceaan niet significant, en het effect van de oceaan op het klimaat dus ook niet. De warmtecapaciteit van de oceaan geeft aan hoeveel warmte de oceaan op kan slaan zonder snel warmer te worden. Hoe groter de warmtecapaciteit is, hoe meer warmte de oceaan op kan nemen voordat het de temperatuur van het water stijgt.
Ook de gemiddelde temperatuur van het zeewater verandert niet significant. Dit komt vooral doordat de gemiddelde temperatuur van al het zeewater ongeveer 3,5 ºC is. De hoeveelheid extra smeltwater is te weinig om dit te veranderen.
Dit betekent echter niet dat de smeltende ijskappen geen effect hebben op het klimaat. Een effect dat zijdelings gerelateerd is aan de vraag, heeft betrekking op oceaanstromingen. Als het ijs op bijvoorbeeld Groenland smelt stroomt er zoet water de zee in. Door de lage temperatuur van dit smeltwater, maar vooral ook door het feit dat het zoet water is, heeft het een aanzienlijk lagere dichtheid dan het zeewater waar het in terechtkomt. Daardoor blijft het zoete water als het ware ‘drijven’ op het zwaardere zoute water. Uiteindelijk vermengt het zich wel, maar voor de enorme volumes aan water waar we het hier over hebben kan dat een aantal jaar duren. Tot die tijd ligt er dus een dunne laag koud, zoet water bovenop het (relatief) warme, zoute zeewater.
In de Atlantische oceaan hebben we een vrij grote stroming lopen, de zogenaamde ‘Atlantic meridional overturning circulation’ (AMOC), ook wel bekend als de ‘Golfstroom’. Deze stroming begint in de Golf van Mexico (vandaar zijn naam) en stroomt vanaf daar noordwaarts door de Atlantische oceaan, tot voorbij IJsland. Doordat hij begint bij de evenaar is het water van deze stroom erg warm. Wanneer dit water in de koudere noordelijke atmosfeer terechtkomt geeft het zijn warmte af, en warmt daarmee het klimaat een beetje op. Daardoor hebben we in Noordwest-Europa zo’n relatief warm klimaat (vergelijk maar eens het weer in New York en Napels, die op dezelfde breedtegraad liggen!).

Figuur 1: Een weergave van stromingen in de Atlantische oceaan. De golfstroom is duidelijk zichtbaar, hoewel de stroming een stuk turbulenter is dan de meeste mensen denken.
Het smelten van de Groenlandse ijskap veroorzaakt hier echter een probleem. De laag koud, zoet water waar we het eerder over hadden ligt nu ineens tussen dat warme water van de Golfstroom, en de koude atmosfeer in. Het warme water kan nu ineens zijn warmte niet meer kwijt, omdat het niet meer in contact staat met de atmosfeer. Daardoor wordt de hele Golfstroom afgeremd, en wordt het klimaat in het Noord-Atlantische gebied ineens een stuk kouder [4]. Echter, doordat er nu minder warm water wordt afgevoerd uit de Golf van Mexico warmt de oceaan daar een beetje op, en gaat er ook iets meer warm water richting de Zuidelijke Oceaan (energie moet immers behouden blijven). Van plaats tot plaats kan het smeltwater dus wel degelijk een effect hebben op het klimaat, maar op het wereldwijd gemiddelde klimaat is dit effect vrijwel nul.
Dus, nog even samenvattend: het directe effect van het smeltwater van de ijskappen is verwaarloosbaar klein wat betreft de hoeveelheid energie die in de oceaan opgeslagen kan worden. De indirecte effecten van smeltwater in de oceaan daarentegen kunnen lokaal best groot zijn. Waaruit maar weer geleerd kan worden dat het werk van klimatologen zelden eenvoudig is!